Albert Geertjes

Art & Furniture
toegepaste en autonome vormgeving van objecten

Albert Geertjes (1951) woont en werkt in Eelderwolde, grenzend aan de stad Groningen.
Sinds 1980 professioneel vormgever/kunstenaar.
Leermeesters: in de jaren 60 kunstenaar-auteur-meubelmaker Lütz de Jong in Assen, begin jaren 70 in Groningen, schilder/beeldhouwer Tiddo Nieboer.

Opdrachtegevers:
oa. Gemeente Groningen, Amsterdam Waterleidingen, RUG Groningen, Rijksbouwmeester, Windesheim college Zwolle, Vos Interieur Groningen, Animal Logic Sydney, Don Gummer & Meryl Streep New York, !Pet Hoogeveen, Martinikerk Groningen…

Tentoonstellingen:
o.a. in Groningen, Den Haag, Eindhoven, Amsterdam, Düsseldorf, Hannover, Bremen, Brussel, San Francisco, Los Angeles.

Over Albert Geertjes en zijn werk.

De ziel van de dingen

Aan de boom in de tuin hangt, aan een lange draad, een grote steen. Wanneer de wind uit het noorden komt, tilt de boom de steen op, zo hoog dat de poes er onderdoor kan lopen. Nu beweegt de steen rusteloos op en neer, vlak boven het gras. ‘Kijk’, zegt Albert Geertjes, ‘De steen is zenuwachtig. Hij weet niet wat hij moet.’

Albert Geertjes, beeldend kunstenaar en meubelmaker, kijkt en denkt als een dichter. Hij kent de dingen een karakter toe, een verhaal, een ziel. Zijn werk ontstaat uit het gesprek met zijn materiaal: het ruwe glas, het gladde koper, het koude staal, de oude stam, de steen die vraagt om hereniging met zijn contramal. Geertjes werkt vanuit een verbondenheid met de dingen en maakt zichtbaar wat er al was: de verborgen mogelijkheden.

Zijn oeuvre beslaat een breed terrein, dat zich beweegt op het grensvlak van autonome en toegepaste kunst. De gebruiksfunctie van zijn objecten is het kader waarbinnen hij werkt; de autonome kwaliteit geeft het werk los daarvan zijn zeggingskracht. Het is het spel tussen vorm, functie en betekenis – en ook het spel met de taal (wanneer is een tafel nog een tafel?) en met onze waarneming (zien we een tafel of een steen, of een eeuwenoud karretje, dat er altijd al lijkt te zijn geweest, waar we nu oneerbiedig een stapel boeken op leggen?).

We doen het werk van Geertjes recht als we er een binding mee aangaan, op zoek gaan naar de ziel ervan, en ernaar kijken zoals we een gedicht lezen. We zien niet alleen de lamp, de tafel, de boekenkast; het is het rafelige stukje koper dat de lamp zijn karakter geeft, het zijn de twee kleine stenen die aandoenlijk tegen elkaar aangeschurkt een tafeltje vormen (het groene krijtstreepje kwam er per ongeluk op maar mag blijven), het is de boom die, stukgemaakt, toch weer heel wordt als hij gevuld is met boeken (zoals de boeken weer thuiskomen in de boom waarvandaan ze kwamen), het is de schemerlamp van oma die gevuld is met ‘verhalen’ – het is het glas dat als een sterrenhemel hoog boven ons, onze verwondering wekt en, tenslotte, woorden overbodig maakt.

© Janet Meester